vrijdag 15 februari 2013

Ad

Het was in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat de overheid nog steeds het liefste gereformeerde mensen in dienst nam. In die tijd was het credo voor die mensen nog altijd dat het gezag van God gegeven is.
Als ongelovige heiden kwam ik er een beetje vreemd tussen te zitten; het niet afleggen van de ambtelijke eed op de bijbel, maar het simpel doen van een gelofte bij mijn aanstelling als ambtenaar heeft mijn carrière niet echt bespoedigd.




Dat bleek bijvoorbeeld toen onze afdeling zo'n beetje onthoofd werd; de drie meest ervaren krachten vertrokken en plotseling was ik de "oude rot". Er was een nieuw blokhoofd nodig en al mijn collega's wisten mij te vertellen dat ik dat zou worden. Mijn nieuwe vaste stek zou naast de balie zijn. De Chef de Bureau Van Oude Plateringen besliste anders, ons kent ons en daarom werd ik gepasseerd door Ad, een trouw bezoeker van dezelfde kerk als de chef.
Ad was niet erg zeker van zijn zaak, maar vond het ook niet fijn om aan mij raad te vragen. Met hulp van de chef en het schriftje waarin hij alle dingen schreef die in zijn ogen belangrijk waren, hield hij zich administratief aardig op de been. Hij was een harde werker en rekenen kon hij wel.



Met mensen omgaan was een ander verhaal. Omdat hij niet snel alles begreep wat hij hoorde, had hij zichzelf een soort blanco gelaatsuitdrukking aangeleerd. Dat leek slimmer dan met vraagtekens in de ogen. Met zijn bleke gelaatskleur kreeg hij van zijn naaste collega's al gauw de bijnaam "de Dooie". En het bleek alras dat de mensen zijn blanco gezicht ervoeren als onverschillig en bot. Dit werd nog erger gemaakt omdat er nooit een geluid over zijn lippen kwam als hij luisterde. Een "ja,ja" , "ik begrijp uw probleem" en dergelijke laat enige betrokkenheid zien. Kwam nog bij dat hij slechts bereid was te doen wat in zijn taakomschrijving stond. Maar de mensen die wij te woord moesten staan, verwachtten een sociaal medewerker aan te treffen. Zo hielpen we mensen allerlei formulieren in te vullen: huursubsidie, kinderbijslag en andere aanvragen kwamen op de balie terecht. Maar Ad snauwde slechts: "Daarvoor moet u niet bij mij zijn!" en zweeg daarna weer als het graf, met de armen voor de borst wachtend tot de mensen vertrokken waren. Herhaaldelijk zuchtten wij, "Nee, hè. Weer één aan het janken gekregen."

                                          Huis Holland na renovatie

De situatie etterde een half jaartje door en toen werden Ad en ik gevraagd om "simpele" aangiften te gaan behandelen in het van krakers afgepakte gebouw naast het hoofdgebouw. Een zaaltje was een beetje gereinigd en de muren waren bruin gesausd. De inspiratie daarvoor was waarschijnlijk verkregen door het aantreffen van de drollen in de kamers op de eerste en tweede verdieping. De bijna gepensioneerde referendaris ging ons inwerken. Hij legde ons uit hoe de investeringsaftrek voor bedrijven werkte en wij konden aan de slag. Uiteraard hadden Ad en ik helemaal niets te maken met bedrijven; de aangiften die wij behandelden waren van mensen in loondienst en van gepensioneerden. Maar met hulp van de belasting-almanak en van de dossiers van de betrokkenen kwamen we al een heel eind. En ik was wel zo eigenwijs dat ik zelf in boekwerken naar oplossingen ging zoeken. Brieven schrijven met vragen was ook geen punt.
Ad en ik waren geen vrienden, we brachten dagen in volledige stilte door. En alleen door zijn gesnuif wist ik dat hij een probleemgeval aan het behandelen was. Raad aan elkaar vragen was wel het laatste!

                                                         Moderne versie van een almanak

Al snel bemerkte ik dat er een nieuw schriftje was aangelegd. Ik ging altijd om half vijf 's-middags naar huis en Ad was dan nog aanwezig. In mijn afwezigheid selecteerde hij volzinnen van mij en had deze in dit schriftje opgeslagen. Ik bemerkte nog iets anders. Elke week had hij één aangifte meer afgehandeld dan ik. In zijn angst om te weinig te doen, deed hij net zoveel maar dan eentje meer. Ik besloot het eens uit te testen en legde vijf onbehandelde posten tussen de rest. Die week had hij zes posten meer behandeld. De week erop hield ik tien reeds behandelde posten apart en deed die op het laatste nippertje bij mijn afgehandelde werk. En ja, hoor, Ad had negen posten minder die week. Van collega's hoorde ik dat hij de posten kwam natellen op de afdeling die voor verwerking zorgde. Nadat ik dit geintje een keer of vijf had gedaan, merkte ik dat hij niet meer probeerde om eentje meer te doen.



Al na een paar maanden kwam er een landelijk bericht: we konden "opgaan" voor commies. Als je werd geaccepteerd, wist je dat je carrière goed op gang kwam. Ik had het al een keer gedaan, met weinig succes. Met mijn linkse opvattingen en mijn status van ongehuwde ongelovige was het lastig om de drempel te nemen. Maar ik ging het uiteraard weer proberen en schreef de benodigde brieven.
Na een week kwam de uitnodiging voor de volgende stap: de intelligentie-test. De brief met de uitnodiging werd in die tijd aan het Hoofd van Dienst gestuurd en dus kwam een hoofdschuddende Van Oude Plateringen met twee brieven ons bruine zaaltje ingelopen. Ik had niet moeten solliciteren, er zou druk gezet worden om Ad verder te helpen. En ik verstoorde de gang van zaken. Ik merkte op dat het mijn goed recht was om te solliciteren. De chef antwoordde daar niet op, maar liep geïrriteerd weg.



Ad en ik kregen de resultaten van de test in een gesloten envelop. "Ik heb twee voldoende en één goed! En jij?" zei Ad trots. Ik had mijn brief al in mijn la gelegd, wilde er eigenlijk niet over praten; het ging hem niets aan. Maar nu moest ik wel, voelde ik. "Drie keer uitmuntend." antwoordde ik en boog me weer over mijn werk. Een week later ontving ik de uitnodiging voor de volgende stap, een gesprek met een selectie-commissie en met een psycholoog. Ad kreeg niets. Ik kreeg nog wel iets: een bezoekje van de scheldende vrouw van Ad, die als secretaresse voor het Hoofd van de Eenheid werkte. "Ik haat je! Jij hebt de kansen voor mijn Ad verknald!" schreeuwde ze. Mijn reactie wachtte ze verder niet af.



Dat ik uiteindelijk weer om mijn opvattingen werd afgewezen (Wel ontwikkelingshulp voor Cuba, niet voor het Indonesië van Soeharto) heeft Ad niet meer meegekregen. Plotseling nam het stel ontslag. Tussen de vrouw en mij was het niet meer goedgekomen, van Ad kreeg ik nog wel een handje. Ze gingen samen een filiaal beheren van het kaas-imperium van een neef. Ik wenste hem alle succes van de wereld en heb nooit meer iets van of over hem gehoord.
=====================================================

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen