vrijdag 22 februari 2013

Woeste Willem

Terwijl ik in overleg ben met mijn directe chef, de chef inkomstenbelasting, hoor ik hem zuchten. Nee, hè, daar is hij weer. En hij wordt nog bleker dan hij normaal al is. Ik volg zijn blik en zie hem binnenkomen, de chef de bureau, de hoogste chef van de eenheid. Het is een bonkige kerel, bijna net zo breed als hij lang is en de meeste mensen in het gebouw zijn als de dood voor hem, Woeste Willem. Ik zie de mensen van mijn afdeling verstijven als hij langs komt lopen. Zo nu en dan kijkt hij over iemands schouder om te zien waar ze mee bezig zijn. Hij wijst iemand op een fout. Na een snelle ronde over de hele zaal, zwaait hij eens naar ons en loopt dan de afdeling af. De bleke man naast mij kijkt hem hoofdschuddend na.

Willem heeft hier niets te zoeken, het is ons baantje om deze mensen op een goede manier aan het werk te houden. De chef inkomstenbelasting wrijft eens over zijn slapen; hij zal wel weer hoofdpijn hebben, neem ik aan. Ik stel voor dat we er iets aan doen, zeg ik. Hij heft zijn handen ten hemel. Daarvandaan verwacht ik zelf weinig hulp, maar mijn meerdere blijkbaar wel. Hij blijft gewoon in zijn "aquarium" zitten, de werkruimte van de chef inkomstenbelasting is een soort glazen hok, dat eigenlijk deel uitmaakt van de grote zaal.

Ik sta op, neem de trap naar beneden en ga naar de kamer van de chef de bureau. Ik klop, BINNEN, hoor ik zijn stentor-stem en ga enigszins zenuwachtig naar binnen en sluit de deur achter me. Ik heb eigenlijk nog geen idee wat te doen. Maar het gaat vanzelf, in al mijn boosheid, Wilt u dat ik naar huis ga? zeg ik. Zijn voorhoofd is vol met vraagtekens en hij wijst naar een stoel. Ik blijf liever staan. U bent bezig om mijn baan over te nemen, dan kan ik net zo goed thuis gaan zitten. Het klinkt een stuk zekerder dan ik mij eigenlijk voel. Het dringt nu goed tot hem door waar dit over gaat.

Eerst zitten! zegt hij en ik doe het nu wel. Ik heb mijn handen ineengeslagen zodat het niet opvalt dat ze trillen. En dan klinkt het: Het spijt me. Je hebt helemaal gelijk. Maar ik zit maar in dit hok, ik geef om die mensen. Ze zijn als kinderen voor mij. Ik ga voor ze door het vuur, maar als ze me belazeren ben ik in staat om ze van de trap af te slaan. Ik wijs er op dat het niet zijn taak is om ze aan te sturen. Hij geeft me gelijk en biedt nogmaals zijn excuses aan. Vraagt zelfs om er gelijk op te springen, mocht zoiets weer gebeuren.

Onverwacht begint hij mij complimenten te maken: ik zou het zoveel beter doen dan mijn voorgangers. Hij noemt de namen en geeft er commentaar bij. De kwalificaties zijn: een slappe dweil, een ruggengraatloze worm en meer van dat alles. Ik ken ze allemaal; ze vertelden me o zo graag hoe goed alles gegaan was en hoe ze werden gewaardeerd toen ik deze baan kreeg. Ik krijg ongevraagd advies van Willem: doe iets in de vakbond en je carrière kan sneller gaan.

Dan zie ik zijn gezicht bewolken. Doe niet wat ik deed. Sleep je gezin niet van hot naar her, zoals ik deed. Van het diepe zuiden naar het hoge noorden en van Zeeland naar de kop van Noord-Holland. Mijn kinderen zitten nu verspreid over het hele land; mijn vrouw en ik hebben vrijwel geen contact met hen en mijn vrouw haat me daarom. Ik zie tranen over zijn wangen lopen. Hier had ik geen rekening mee gehouden en ik voel me erg ongemakkelijk. Als ik hem ga troosten, kan ik een dreun verwachten. Wat te doen?

In mijn zenuwen kraam ik uit: Als je je kinderen bezoekt, krijg je wel veel van het land te zien. (Oh, nee!) Maar hij begint plotseling bulderend te lachen. Hahaha, je geeft er weer een draai aan. Hij veegt zijn tranen weg en is weer zijn oude zelf. Kom op Steeg, terug naar het front! Ik sta op, loop de deur uit en terwijl ik de deurknop in mijn handen heb om de deur achter me dicht te doen, hoor ik Als je dit aan iemand vertelt, breek ik allebei je poten. Grinnikend sluit ik de deur.
Ik geloof hem op zijn woord.
====================================================

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen