vrijdag 8 maart 2013

Jacoba van Beieren

Op de kleinste afdeling van kantoor, de loonbelasting, werkte een gehandicapte jongedame. Ik vermoedde dat ze in haar jeugd polio had overleefd. Niemand vroeg ernaar en het was ook niet echt belangrijk. Ze sloeg zich manmoedig door alle problemen, kon aardig uit de voeten met haar stok, woonde zelfstandig en had een leuk klein autootje waarmee ze zich verplaatste. Of het nu kwam door pijn of door een opstandig karakter één ding was niet zo leuk: als je bij haar een gevoelige snaar raakte, kon ze uren doorschreeuwen over het onderwerp. En dan maakte het niet eens uit of je het nu wel of niet met haar eens was. En er waren vrij veel onderwerpen; ga die dan maar eens allemaal vermijden, dan wordt het wel erg stil! Door haar houding kreeg ze al snel de bijnaam Jacoba van Beieren, naar de roemruchte gravin van Holland ten tijde van de Hoekse en Kabeljauwse twisten.

                                                        Jacoba van Beieren

Soms waren de collega's het zat. Eens nam er één een tak mee uit het park achter het gebouw. Ze ging weer eens te keer en een ander pakte haar stok, die naast haar bureau stond en gaf hem door aan degene die iets verder zat.
Als je nu niet ophoudt met zeiken breek ik je stok doormidden!
Ze weigerde dat te geloven en het ging weer verder over een emancipatorische kwestie.
Dan moet je het zelf maar weten! En krak ging er iets doormidden. Uiteraard was het de tak, maar daar had onze Jacoba geen weet van. De tranen sprongen in haar ogen en nu ging het volume van haar stem op maximaal. Terwijl de chef van de afdeling ernaast binnenkwam, werd haar stok stiekem teruggezet. Jacoba vertelde wat er volgens haar gebeurd was. De chef onderbrak haar en wees naar de stok die gewoon naast haar stond.
Volgende keer eerst goed kijken voordat je begint te schreeuwen! en de chef vertrok weer.



Een andere keer tilden haar vier mannelijke collega's haar auto op en zetten hem om de hoek van de straat neer. Pas toen ze de politie aan het bellen was omdat de auto verdwenen was, werd ze geholpen om de auto terug te vinden. En werd haar verteld dat ze zeker vergeten was waar ze hem had neergezet.
Soms moest op mijn afdeling helpen en eens gooiden de jongens van afdeling dossiers haar stok achter de manshoge dossierkasten. Alleen met heel moeizaam klimwerk was hij terug te halen. Uiteindelijk werd dit door de zoon van de schoonmaker gedaan.
Een heel vervelend incident was toen het hele kantoor ijsvrij kreeg.
Jij niet! zei de chef de bureau, Jij kan immers niet schaatsen.
Het resulteerde in een berisping door het Hoofd van de Eenheid aan het adres van deze chef.



Om haar gezondheid te kunnen garanderen moest ze op een gegeven moment tien centimeter uitgerekt worden in het ziekenhuis. Dit was een pijnlijke en langdurige bedoening, ze moest uiteindelijk een jaar revalideren. Het zeer sociale Hoofd van de Eenheid hield haar een nieuw doel voor ogen: na terugkomst mocht ze mijn soort werk doen en hoefde de kamer op kantoor alleen nog met mij te delen. Die kamer was eigenlijk uit nood een vergaderzaal, maar het verloste haar in ieder geval van allerlei plagerijtjes.
Ik geloof dat dit haar erdoor moet hebben gesleept. Ik heb haar in haar ziekenhuisbed gezien, met gewichten aan haar hoofd en aan haar voeten. Dankzij het Hoofd van de Eenheid kon ze nog ergens naar toe leven.



Voor mij bleek het niet echt een genoegen om constant tegenover haar te zitten. Ik was inmiddels al redelijk ervaren in het werk en wilde haar best helpen, maar in de praktijk bleek dit best lastig.
Vroeg ze: Deze man trekt dit en dit en dit af. Mag dat?
Ik: Nee! Kijk maar in de wet, dit is uitgezonderd.
Zij: Ja, maar hij is gehandicapt!
Ik: Dan geldt nog altijd de wet.
Zij: Voor jou gemakkelijk, maar ik ben ook gehandicapt.
Ik: Jij moet gewoon de wet uitvoeren.
Gesnuif van de andere kant, ze legde haar pen neer en keek uit het raam.
Ik was het even zat, haalde een oude truc uit (stapeltje niet behandelde zaken tussen de reeds behandelde) en stond op. Nu pas zag ze dat ik best een grote stapel af  had.
Ik ga even weg, zei ik en liep de kamer af. Even met iemand anders praten, even bijkomen. De sfeer was alweer goed bedorven.
Toen ik terug kwam op het zaaltje was een collega van een hogere rang haar aan het helpen. Ze had duidelijk gehuild en riep En niemand helpt me! Dat leek me enigszins overdreven, ik had haar geholpen en nu werd ze alweer geholpen. Maar ook deze crisis werd weer overwonnen. Helaas volgden er nog vele.



Gelukkig duurde deze situatie niet lang. Zij kwam met een nieuwe collega op een nieuwe kamer te zitten. Met hem was er gelukkig een zeer goed klik. Ikzelf kwam - alweer uit nood - aan het einde te zitten van een doodlopende gang waar precies één bureau paste. Heerlijk alleen!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen