woensdag 1 juni 2016

De Triumph Dolomite


Het wonder had plaats gevonden: ik had mijn rijbewijs gehaald. Mijn collega's hadden meegeleefd en mijn groeiende nervositeit aangekeken. Het was de alweer de zevende keer dat ik mocht afrijden. Wonder boven wonder lukte het deze keer wel. De examinator zei nog wel heel fijntjes tegen mijn instructrice: "Een Sterling Moss" zal hij nooit worden. Ik vond het allemaal wel best, het papiertje was binnen.

Maar nu moest er natuurlijk ook nog een auto komen om er van te kunnen genieten. Collega Coen schoof aan aan mijn bureau: zijn vader bleek een garage te hebben en Coen had gehoord dat er een leuk wagentje stond. Echt wat voor mij. Uiteraard ging ik met hem mee, was meteen onder de indruk van het wagentje met de naam van een racewagen. Ik wist van toeten nog blazen over auto's, maar ging er van uit dat de vader van mijn vriendelijke collega mij geen oor aan naaide.

De koop werd vrij snel gesloten: ik was allang blij dat het karretje mij minder kostte dan alle kosten rondom mijn rijbewijs. Hij moest nog wel even rijklaar gemaakt worden, de volgende dag kon ik hem ophalen. Trots belde ik mijn vader, die mijn aankoop meteen afkeurde. Wat moest ik met een raceauto? Ik probeerde het wel uit te leggen hoe het echt zat, maar ik kon hem bijna zien aan de andere kant van de lijn: hoofdschuddend en wel.

Toen ik hem uiteindelijk liet zien, was hij nog niet gerustgesteld, vond hetmaar een rare auto. Waarom had ik niet gewoon een Opel gekocht? Hij reed daar zelf al jaren in en altijd zonder mankeren. Het kon me verder niet zoveel schelen, ik was apetrots op mijn Triumph. Als anderen hem zagen, kon ik het niet laten om altijd even te vermelden dat er een twee-liter-motor in zat.

Al gauw kwamen er kleine mankemetjes aan het licht, de wagen was al 8 jaar oud. Het was te verwachten, zeiden ze bij de garage in mijn woonplaats. Het was een garage gespecialiseerd in Engelse auto's, zoals Jaguar, Rover en dus ook de Triumph. Het werd nooit zo uitgesproken, maar met mijn karretje voelde ik me altijd een beetje min bij die mensen. Het was ook altijd een zielig gezicht om mijn Dolomite naast een stel Rovers en een Jaguar te zien staan.

Elke APK-keuring, die volgde, werd een kwelling voor mijn bankrekening. Al gauw bedroeg het geld gespendeerd aan reparaties meer dan wat het ding zelf had gekost.

Het eind kwam vrij plotseling: ik reed op de snelweg en was bezig om een auto in te halen. Opeens begonnen druppels op mijn ruit te verschijnen. Regen? Bij een strakblauwe lucht? Wat raar!
Het was geen regen, zo bleek het toen ik de ruitenwissers aanzette. Het was olie uit een gesprongen leiding die op mijn voorruit belandde. Ik zag op slag niets meer, maar zag toch kans om weer naar de rechterrijbaan te komen. Ik kreeg het ook voor elkaar om heelhuids bij de garage aan te komen. Mijn rij-instructrice zou trots op me geweest zijn.

Mijn karretje werd weer eens helemaal nagekeken en ik kreeg een telefoontje na afloop. De manager van de garage vroeg me langs te komen voor een gesprekje. Dat deed ik nog de volgende middag.
Ik zette mijn oude fiets tegen het gebouw, hij stak schril af tegen een stel fonkelnieuwe Jaguars die voor het gebouw stonden te pronken. Ik kreeg het oordeel over mijn Dolomite snel te horen: het was onverantwoord om er nog mee de weg op te gaan. Men vond het sneu voor me en ik hoefde de rekening voor het nakijken niet te betalen en - hoera- er was een liefhebber gevonden die wel wat onderdelen kon gebruiken. Zodoende hoefde ik ook geen wegsleep of sloopkosten te betalen.

Verdrietig bedankte ik en fietste weg. Geld voor een andere wagen had ik niet: voorlopig zou ik het moeten doen met de fiets en de benenwagen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen