woensdag 14 augustus 2013

Bedreigd

Het was eind jaren zeventig en ik was belast met het beoordelen van zogenaamde loonposten. Ik werd daarbij bijna niet gehinderd door enige kennis, vooral ook omdat mijn mentor - een referendaris, die bijna aan pensioen toe was - mij alleen de finesses en uitzonderingen van de investeringsaftrek had bijgebracht. In de loonposten kwam je uiteraard slechts loon en pensioen tegen. Bijzondere zaken waren zeldzaam in dit soort aangiften en ondernemingsresultaten zaten er zeker niet in. Voor de bijzondere situaties had ik de beschikking over een drie-delig werk: de Noorduyn in de belasting-volksmond.



Ik was bloedfanatiek en niets ontsnapte aan mijn spiedend fiscaal oog. Eens trof ik een aangifte waarbij de belastingplichtige gedurende zes maanden geen loon en ook geen uitkering had genoten. En dus ging er een vragenbrief naar deze mijnheer. Vragen in deze brief: "Waarom is er in dit tijdvak geen sprake van inkomsten?" en "Waar heeft u in die periode van geleefd?" En er ging een antwoord-envelop mee, gefrankeerd en wel.

                                          Bijlmerbajes

De man belde in plaats van de brief te beantwoorden. Hij had die zes maanden in de Bijlmerbajes gezeten. En nu hij me toch aan de telefoon had: hij dacht in aanmerking te komen voor belastingaftrek wegens gederfde inkomsten gedurende die periode. Ik was het daar niet mee eens; ik zei hem erover te denken om een bedrag bij zijn inkomen te tellen wegens het genot van vrij wonen. Hij had immers zes maanden kost en inwoning genoten zonder ervoor te hoeven betalen.
Hij zag er de lol niet van in en slaakte een hardgrondige vloek. "Ik kom zo langs om je gezicht te verbouwen, zodat je eigen vrouw je niet meer herkent! En om een vraag te voorkomen: ik zat in de bak wegens geweldpleging." En hij gooide de hoorn op de haak.



Ik had hem niet eens kunnen zeggen dat ik niet getrouwd was! Maar ik had uiteraard geen trek in zo'n ruwe vorm van plastische chirurgie. Wat doe je in een probleemgeval? Naar je mentor gaan, was mij geleerd.
De mentor rochelde zijn gebruikelijke hoest en zei dat ik maar naar de chef de bureau moest gaan.
Deze zei mij dat hij weinig kon doen; hij kon toch moeilijk voor elk boos telefoontje de politie bellen. Er was toch ook nog niets gebeurd. De man zou eerst langs de receptie moeten.
Ik was er niet gerust op, mijn kamernummer en naam stonden op de brief en ik zag de tengere receptioniste nog niet direct een gewelddadige man uitschakelen. Bovendien zat ze meer bij haar vriend op de afdeling dan op haar plaats.



Een stel jongere collega's hoorden wat er gaande was, omdat ze vlak voor de chef zaten. Zij liepen even met me mee en boden aan om gelijk bij te springen als het nodig was. Ik hoefde alleen maar te bellen en ze waren in tien seconden bij me.
Dit scheelde een klein beetje voor mijn gemoedsrust; ik waarschuwde daarna zelf de receptioniste. Daar had de chef niet aan gedacht, bleek wel.



Toen ik weer achter mijn bureau zat, ging mijn telefoon. De man had zijn reclasseringsambtenaar gebeld en was weer tot rust gekomen. Hij bood zijn excuses aan en ik de mijne: mijn grapje was toch enigszins misplaatst geweest. Hij had inmiddels al begrepen dat hetgeen hij wilde, niet mogelijk was. En hij wenste mij verder een fijne dag.
Daarna kon ik dus de receptioniste en de collega's gerust stellen en ging weer over tot de orde van de dag.
De mentor en de chef de bureau hebben tot nu toe niet gevraagd hoe het is afgelopen...
=============================================================





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen