donderdag 6 december 2012

De matennaaier

Naast baliewerk deed ik destijds ook nog ander zeer belangrijk werk: gegevens op nota's invullen en registreren. Vooral het laatste was zeer gewichtig. Door het computercentrum werden enorme lappen papier aangeleverd, de zogenaamde kohieren. Hier stonden namen, adressen, aanslag-nummers en aanslag-bedragen op. Het was dan mijn werk om de totalen van die bedragen over te schrijven op een formuliertje in drievoud op A5 formaat. Deze DB3's en DB3a's kregen volgnummers vanuit een register waarin ook de totalen moesten worden vermeld.



De kohieren gingen via de chef naar het Hoofd van de Inspectie. Deze tekende en dagtekende de totalen en de kleine formuliertjes DB3. En dan ging er één exemplaar van de formuliertjes in een ordner. De rest bracht ik naar de Heer Ontvanger der Rijksbelastingen. Klinkt fantastisch, maar was niet meer voor mij dan met de papierwinkel de trap aflopen en dan aan één van de dames op de begane grond geven. Ik word er zelf moe van nu ik het terug lees!



Op een dag was de stapel DB3's helemaal op. Ik had het nog niet eerder gedaan, maar mij werd verteld dat ik op de achterste stelling in het archief een doos kon vinden met stapels van die dingetjes. Dus op naar het archief op de zolderverdieping. Ik had nog maar een paar passen op zolder gedaan of ik hoorde de deur achter me sluiten en een sleutel in een slot omdraaien. Gegiechel achter de deur. Ik herkende het meteen. De ander snoof meer dan dat hij lachte. De jongens van afdeling dossier. Ze zullen een jaar of 18 zijn geweest, maar in veel gevallen geldt: als je als kind behandeld wordt dan ga je je daarnaar gedragen.

Ze bleven achter de deur staan fluisteren terwijl ik in de achterste stelling inderdaad de gezochte formulieren vond. En ik stond vrijwel naast de nooduitgang, de branddeur die toegang gaf tot de brandtrap. Zo geluidloos mogelijk opende ik de deur en sloot hem weer achter me. Niemand zag me de trap af gaan en zo kon ik ongestoord langs de oude DAF 55, die dienst deed als dienstwagen, de kelder inlopen en via fietsenhok, keukentje en de hal de normale trap weer opgaan naar de afdeling.



Ik zat alweer geruime tijd te werken toen de jongens van dossier binnen kwamen op de zaal waar de meeste afdelingen waren gevestigd. Ze werden meteen opgemerkt door de chef. "Waar zijn jullie al die tijd geweest?", vroeg hij bars. "Op de wc mijnheer," antwoordden ze in koor. "Ach...", hij wachtte even met zijn reactie, "Is er iets moois tussen jullie aan het opbloeien?" Een bulderend gelach van mijn afdeling was het gevolg, de jongens kregen er een rood hoofd van. "Nou, gauw weer aan de slag. Anders komt het weer niet af.

Ook zij deden uiteraard zeer belangrijk werk: allerlei formulieren en stukken moesten ze in mappen deponeren. En dan niet zomaar, alle stukken hadden weer aparte dossier-mappen. Huwelijkse voorwaarden gingen in map 2A, hypotheek-gegevens in 2B, lijfrente-gegevens in 3 en controle-rapporten in 4. En dan moest aan de voorkant van de map opgeschreven worden wat erin ging en per wanneer. En alle mappen tezamen moesten weer in map 1 en daar moest dan weer opgeschreven worden welke (sub-)mappen  er in gedeponeerd werden. Ik weet dat nog vrij goed, omdat ik als ik klaar was met mijn eigen werk bijstand moest verlenen.



Op de middag van 5 december ging het kantoor per definitie dicht en dan was er Sinterklaasfeest in een zaaltje in de buurt voor de kinderen van de medewerkers. Die konden dan de door hun ouders gekochte cadeau's uitpakken. Degenen zonder kinderen zaten er altijd maar wat bij te hangen en de jongeren dronken het ene na het andere biertje. Het was dan wel een aardige afknapper voor die jongeren om de tafels en stoelen en de rommel naderhand op te ruimen. Vooraf moesten ze het ook al neerzetten, de ouders hoefden zich slechts om hun kroost te bekommeren.



Dit jaar was geen uitzondering. De jongeren sjouwden de boel weer op orde onder toeziend oog van de chef. Die miste een paar, "Waar zijn de jongens van dossier?" "Ik ben hier m'neer," lalde de giechel. De ander bleek spoorloos.
De volgende dag werd hij bij het Hoofd zelf geroepen. Deze was zeer boos en noemde hem a-sociaal en gaf hem een officiële berisping. Volgens de secretaresse van het Hoofd werd de jongen zelfs teruggeroepen toen hij al wilde afdruipen. Het Hoofd had nog iets toe te voegen: "Je bent een zak!" deed ze op bekakte wijze na.



Elk jaar waren er wel wat promoties en schoven mensen door naar iets betere plekken. En zo kon het gebeuren dat ik samen met een andere niet-gepromoveerde moest gaan werken met de gepromoveerde dossier-jongens.
De giechel bleek een harde werker en we werden uiteindelijk de beste maatjes. De ander bleek meer oog te hebben voor de dames op de afdeling en voor de natuur. Regelmatig riepen we hem: "Oehoe! Daar is het werk." Dan zat hij weer met open mond uit het raam te staren. En hoe druk het ook was, het bleef zo. Als je werk hebt voor vier mensen en eentje doet niet mee, dan voel je dat. En zo ontstond er flinke irritatie als hij weer eens een stapel werk net zo terug legde in de kast als hij het had gepakt. Hij kreeg er een fijne bijnaam door: "de matennaaier".
Tot ons geluk gingen een paar maanden later twee oudere medewerkers met pensioen en konden we de voormalige dossier-jongens verlaten en kregen iets interessanter werk. En hadden dus geen last meer van de matennaaier.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen